Vermindering huwelijksgerelateerde behoefte door tijdsverloop

23 oktober 2015

Op het moment dat de rechtbank een echtscheiding uitspreekt, wordt vaak ook een oordeel gegeven over de hoogte van de alimentatie. Die hoogte van de alimentatie is afhankelijk van meerdere factoren. De draagkracht van de betalende partner, de behoeftigheid van de ontvangende partner, maar ook de levensstandaard die tijdens het huwelijk gewoon was. Als de (ex-)echtgenoten gewend waren aan een luxe levensstijl, zal deze ook na echtscheiding gehandhaafd moeten blijven. De behoefte van de ontvangende partner zal dus aanzienlijk stijgen als deze partner gewend was aan een luxe leven, dit wordt de huwelijksgerelateerde behoefte genoemd. Maar blijft deze behoefte altijd gelijk en moet gedurende de hele alimentatieperiode hetzelfde bedrag betaald worden? Het antwoord is nee. De alimentatie kan variëren in hoogte. Allereerst wordt de alimentatie jaarlijks op 1 januari geïndexeerd, tenzij dit door de ex-partners expliciet uitgesloten wordt. Dit houdt in dat de alimentatie jaarlijks met een wettelijk vastgesteld percentage omhoog gaat. Het kan ook zijn dat de draagkracht van de betalende partner sterk achteruit gaat door bijvoorbeeld het verlies van een baan. Ook de behoefte kan na de echtscheiding veranderen door verschillende omstandigheden. Indien er zulke gewijzigde omstandigheden zijn, kunnen partijen zich opnieuw tot een rechter wenden om de alimentatie te laten aanpassen.
Hoe zit het met die huwelijksgerelateerde behoefte? Kan deze veranderen door de tijd? Hierover oordeelde het hof te Den Haag onlangs.

Hof Den Haag 30 september 2015
Man en vrouw waren gedurende enige tijd gehuwd. In 2006 werd de echtscheiding uitgesproken door de rechtbank. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat de vrouw een behoefte had van € 6.543,- per maand. Wel meende de rechtbank dat de vrouw een zogenaamde verdiencapaciteit van € 1.000,- per maand bezat. Dit bracht de behoeftigheid van de vrouw op een bedrag van €5.453,- per maand. De man kon dit ook betalen, dus de alimentatie werd door de rechtbank op dit bedrag vastgesteld. Na enkele jaren daalde de draagkracht van de man en werd de alimentatie bijgesteld naar €3.427,- per maand. De vrouw wilde de alimentatie weer naar boven laten bijstellen. Zij meende namelijk dat zij niet geacht moest worden een verdiencapaciteit te hebben. Zij stelde dat zij ernstig fysiek en psychisch beperkt was door stress ten gevolge van de echtscheiding en de alimentatie. Dit zorgde ervoor dat zij niet kon werken en dus recht had op meer alimentatie.

De man vond dit onzin. De man gaf aan dat de huwelijksgerelateerde behoefte afnam naarmate de jaren na de echtscheiding verstreken. De behoefte zou zich door de tijd heen aanpassen aan de nieuwe levensstandaard, de levensstandaard zoals deze na het huwelijk was geworden. Ook meende de man dat de behoefte afnam doordat het verband met de financiële situatie tijdens het huwelijk verwaterde na verloop van tijd. De man was tevens van mening dat de vrouw voldoende geld moest hebben en wanneer dat niet het geval was, dat te wijten was aan het uitgavenpatroon van de vrouw.

Het hof stelde dat de (voornaamste) grondslag voor partneralimentatie de lotsverbondenheid tussen de voormalige partners was. Deze lotsverbondenheid is tijdens het huwelijk opgebouwd en houdt met de echtscheiding niet zomaar op te bestaan. De lotsverbondenheid neemt na de echtscheiding wel steeds verder af en de ontvangende partner moet inspanningen verrichten om in het eigen levensonderhoud te gaan voorzien na de echtscheiding. De vrouw heeft deze inspanningen niet verricht. De vrouw had in de 10 jaar na de echtscheiding eigenlijk geen enkele constructieve poging gedaan om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, niet aantoonbaar althans. Naar maatschappelijke normen mag volgens het hof wel verwacht worden dat de vrouw verantwoordelijkheid had genomen om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Volgens het hof neemt naarmate de jaren verstrijken de behoefte steeds verder af door de afnemende lotsverbondenheid. Tegelijkertijd met dit afnemen, wordt de verdiencapaciteit geacht toe te nemen. Het hof meende dan ook dat de alimentatie niet opnieuw naar boven bijgesteld moest worden. Het hof stelde dat de man op dit moment nog maandelijks €1.236,- moest voldoen, maar met de jaren zou dit steeds verder richting nihil gaan. Op 27 december 2017 zal de alimentatietermijn in het geheel eindigen en tegen die tijd zal de vrouw dus echt in haar eigen levensonderhoud moeten gaan voorzien.

Conclusie
Duidelijk is dat de huwelijksgerelateerde behoefte een grote invloed heeft op de hoogte van de alimentatie. Deze alimentatie stoelt echter met name op de ontstane lotsverbondenheid tussen partijen. De lotsverbondenheid verwatert na afloop van het huwelijk steeds meer, waardoor ook de huwelijksgerelateerde behoefte gedurende de jaren vermindert.

Meer weten hierover van een advocaat familierecht in Tilburg?

Bron: Gerechtshof Den Haag 30 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:2744

Neem voor meer informatie contact op met: