Ouder dan 21? Zonder behoeftigheid geen bijdrage in studiekosten

7 september 2015

Uit de wet volgt dat kinderen tot 21 jaar van de ouders een bijdrage krijgen om te voorzien in het levensonderhoud. Kinderen kunnen na het 21e levensjaar nog steeds recht hebben op een bijdrage in het levensonderhoud, maar enkel in het geval dat daartoe daadwerkelijk behoefte bestaat. Wanneer is dat dan exact het geval? Dat zal van de omstandigheden van het geval afhangen.

Een dochter van 24 had graag dat haar, gescheiden, ouders zouden bijdragen in haar studiekosten. Zij sprak voor de rechter haar moeder aan om de helft van haar studiekosten te voldoen. De dochter voerde hiertoe aan dat zij nog steeds behoeftig was. Zij stelde dat zij langer recht had op een bijdrage, omdat zij door dyslexie studievertraging had opgelopen. Ook gaf zij aan dat zij niet in staat was om naast haar studie zelf te werken om in het levensonderhoud te voorzien. De dochter beriep zich op de verlengde behoeftigheid uit de wet, maar ook op het echtscheidingsconvenant dat haar ouders voor de echtscheiding hadden getekend. In dit echtscheidingsconvenant was een beding opgenomen waarin werd gesteld dat de ouders allebei voor de helft in de studiekosten zouden bijdragen voor een beroepsopleiding. De moeder stelde echter dat zij geen bijdrage verschuldigd was aan haar dochter.

De rechter zette eerst de regels uiteen om te bepalen of de dochter inderdaad nog behoeftig was en dus nog recht had op een bijdrage van haar ouders. Zoals gesteld moeten ouders totdat een kind 21 wordt, bijdragen in het levensonderhoud. De ouders hoeven hierna enkel nog bij te dragen als er daadwerkelijk behoefte bestaat. Van een kind van 21 wordt echter verwacht dat hij of zij zelf in het levensonderhoud kan voorzien en dus niet behoeftig is. Het kind kan zich dus niet zomaar tot zijn of haar ouders wenden voor een bijdrage in de studiekosten.

De rechter gaf vervolgens aan dat van behoeftigheid sprake is als een kind niet beschikt of kan beschikken over het geld waarover een kind van 21 of ouder normaliter beschikt. Het feit dat een kind niet werkt, brengt dus niet automatisch mee dat het kind behoeftig is. Het kind zou wel kunnen werken en zou dus wel over het geld kunnen beschikken.

De rechter stelde in deze zaak dat de dochter niet als behoeftig was aan te merken. De dochter was reeds 24 jaar oud en op die leeftijd wordt een bepaalde mate van zelfstandigheid verwacht. Zij zou onafhankelijk van haar ouders, door middel van bijvoorbeeld een bijbaan, in haar eigen levensonderhoud moeten kunnen voorzien. Bovendien had de dochter reeds een studie afgerond, namelijk de opleiding tot onderwijsassistente op niveau 4. De dochter had besloten hierna nog een studie te volgen. De rechter vond het begrijpelijk dat de dochter een vervolgopleiding was gestart, maar dit bracht niet automatisch mee dat de dochter behoeftig was. Haar vervolgstudie was volgens de rechtbank namelijk een keuze, geen absolute noodzakelijkheid. Het feit dat de dochter nog steeds met studiekosten te kampen had, was dus aan haarzelf te wijten. De rechter stelde dat hierdoor geen sprake was van behoeftigheid en de moeder hoefde dus ook geen maandelijkse bijdrage te doen.

De dochter had gesteld dat zij door lichamelijke en psychische klachten geen bijbaantje kon hebben naast haar studie. De rechter stelde dat dit niet relevant was, nu zij zelf had gekozen voor een vervolgstudie die niet noodzakelijk was.

De dochter had haar verzoek eveneens gestoeld op het echtscheidingsconvenant. Zij stelde dat uit de voornoemde bepaling volgde dat zij haar ouders kon aanspreken voor een bijdrage in de studiekosten. Het echtscheidingsconvenant is in principe een overeenkomst tussen twee partijen, namelijk de moeder en haar ex-echtgenoot. De dochter had deze overeenkomst niet ondertekend en was dus juridisch gezien geen partij bij de overeenkomst. De rechter moest dus beoordelen of de dochter wel aanspraak kon maken op hetgeen in het echtscheidingsconvenant was besloten. Om de overeenkomst te waarderen, moest de rechter met alle omstandigheden rekening houden. Het beding uit het echtscheidingsconvenant had duidelijk betrekking op de dochter, waardoor zij zich hierop wel kon beroepen. Vraag was of dit ook met zich bracht dat de moeder zou moeten betalen voor de vervolgstudie. De moeder meende nog steeds van niet.

Het was dus aan de rechter om de betreffende bepaling uit het echtscheidingsconvenant te waarderen en te bepalen of de dochter aanspraak kon maken op een bijdrage. Het convenant moest worden uitgelegd aan de hand van het zogenoemde Haviltex-criterium. Eerder bleek al dat dit criterium ook van belang is bij de uitleg van een ouderschapsplan. Dit criterium houdt in dat de bedoeling van partijen van belang is bij de uitleg van een overeenkomst. Hierbij is ook van belang wat redelijk en billijk is. De rechter meende dat de bepaling enigszins onduidelijk is over de hoeveelheid te volgen opleidingen, maar dat het niet de bedoeling kan zijn geweest dat de dochter voor elke te volgen opleiding een beroep op haar ouders kon doen. Het lag voor de hand dat de ouders hadden willen bijdragen in een opleiding, waarna de dochter kon gaan werken of in ieder geval in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. De bepaling van het echtscheidingsconvenant sprak ook van ‘een beroepsopleiding’.

Al deze omstandigheden meegewogen, kwam de rechter tot de conclusie dat de dochter geen recht meer had op een bijdrage in haar studiekosten van haar moeder. Zij was wettelijk gezien niet langer behoeftig en ook het echtscheidingsconvenant vloeide hiertoe geen recht voort.

Of een kind dus ook na het 21e levensjaar nog behoeftig is, is afhankelijk van de omstandigheden. Duidelijk is wel dat het niet al te snel aangenomen dient te worden. Uit de uitspraak van deze rechter volgt eveneens dat kinderen in sommige gevallen aanspraak kunnen maken op bepalingen uit een echtscheidingsconvenant, ook al is dit convenant eigenlijk een overeenkomst tussen slechts twee partijen. Bij de vraag hoe de bepalingen uit het echtscheidingsconvenant dan geïnterpreteerd dienen te worden, speelt het Haviltex-criterium een belangrijke rol.

 

Meer weten hierover van een advocaat familierecht uit Tilburg?

Bron: Rechtbank Overijssel 24 juli 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3759

Neem voor meer informatie contact op met: