Ook alimentatieverplichting bij verbreking samenleving?

13 februari 2015

Na verbreking van een huwelijk of geregistreerd partnerschap kan er sprake zijn van een onderhoudsverplichting jegens partner of kinderen. Dit is de partner- en kinderalimentatie. Deze onderhoudsverplichting wordt wettelijk geregeld. Wanneer het echter niet gaat om een huwelijk of geregistreerd partnerschap, maar bijvoorbeeld om samenwonen, biedt de wet hier geen grondslag voor. Of er in dat geval ook sprake kan zijn van een onderhoudsverplichting staat hier centraal.

Man en vrouw hebben jarenlang een affectieve relatie gehad. Bij een affectieve relatie gaat het om twee geliefden die in hetzelfde huis samenwonen. De relatie is tevens duurzaam van aard. Uit deze relatie is één kind geboren, het kind was op dit moment reeds meerderjarig. De relatie werd in 2011 verbroken. Tegelijkertijd werd een overeenkomst tussen man en vrouw gesloten. Volgens deze overeenkomst zou de man “te allen tijde de zorg, in de meest uitgebreide zin van het woord, voor de vrouw en hun kind dragen”.

Begin 2012 vroeg de vrouw bij de rechtbank om een bijdrage in haar eigen levensonderhoud, maar ook in dat van het kind. Het kind was op het moment van dit verzoek namelijk nog minderjarig. De verplichting tot kinderalimentatie zou voortvloeien uit de wet, de verplichting tot partneralimentatie uit de overeenkomst tussen man en vrouw. Volgens de rechtbank bestond er bij de man geen draagkracht om de kinderalimentatie te voldoen. Doordat betaling van kinderalimentatie in principe boven betaling van partneralimentatie gaat, bestond er ook geen draagkracht voor de partneralimentatie. Over de vraag of er überhaupt een (contractuele) basis bestond voor de partneralimentatie, heeft de rechtbank niet geoordeeld. De vrouw kon zich in deze beslissing van de rechtbank niet vinden en ging daarom in beroep bij het Hof ’s-Hertogenbosch.

Het Hof beoordeelde zowel de partneralimentatie als de kinderalimentatie opnieuw. Allereerst stelde het Hof vast dat er op grond van de wet geen enkele grondslag bestond om partner- of kinderalimentatie te voldoen na verbreking van een affectieve relatie. Dit bestaat immers enkel bij verbreking van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap. Indien de man toch een bijdrage zou moeten betalen, zou dit uit een contractuele basis moeten blijken. De man meende dat ook deze contractuele basis niet bestond, waardoor hij volgens hem geen alimentatie hoefde te voldoen. De vrouw meende dat er wel degelijk een contractuele basis bestond door de hiervoor genoemde bepaling uit de overeenkomst tussen partijen.

Het Hof beoordeelde eerst de vraag of er sprake was van een contractuele basis voor alimentatie. Dit achtte het Hof het belangrijkste verweer, waardoor het als eerste behandeld moest worden. Het Hof volgde de redenering van de man en oordeelde ook dat er in dit geval geen contractuele basis was voor de voldoening van partneralimentatie. De genoemde bepaling uit de overeenkomst was niet zodanig concreet dat het een grondslag voor de voldoening van alimentatie bood. De bepaling sprak immers niet van ‘alimentatie’ of een vergelijkbare bewoording. Volgens het Hof was de verbintenis tussen partijen hierdoor niet voldoende bepaalbaar, waardoor de bepaling ook geen grondslag voor alimentatie bood.

Het Hof meende overigens ook dat de man niet voldoende draagkracht had om de alimentatie te voldoen. Los van het gebrek aan een grondslag zou de vordering dus ook wegens een gebrek aan draagkracht afgewezen worden.

Er kan dus ook bij verbreking van een affectieve relatie sprake zijn van een alimentatieverplichting, ook al biedt de wet hiervoor geen grondslag. De grondslag voor de alimentatie moet dan wel voortvloeien uit een contract tussen partijen. Deze grondslag moet dusdanig duidelijk zijn dat evident is dat er sprake is van een alimentatieverplichting. Dit is het geval bij het gebruik van het woord ‘alimentatie’ of een vergelijkbare term.

Meer weten hierover van een advocaat familierecht in Tilburg?

Bron: Gerechtshof ís-Hertogenbosch 10 februari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:436.

Neem voor meer informatie contact op met: