Bijdrage in studie en levensonderhoud ná 21e levensjaar

21 januari 2015

Indien ouders gaan scheiden worden in het echtscheidingsconvenant vaak afspraken gemaakt over onder andere de kinderalimentatie. Dit is een bijdrage van de ouders in het levensonderhoud van het kind. Gewoonlijk stopt deze bijdrage op het moment dat het kind de leeftijd van 21 bereikt. Uit de wet volgt dat er na het 21e levensjaar nog wel een bijdrage kan moeten worden voldaan, maar dit is enkel het geval als er daadwerkelijk sprake is van een behoefte aan bijdrage bij het kind. Indien de ouders hierover zelf andere afspraken maken en deze vastleggen in een convenant, is afwijking van de wet wel toegestaan. Dit was in deze situatie het geval.

Ouders waren getrouwd geweest tot 2007. Gedurende dit huwelijk was een dochter geboren. Op het moment van scheiden was de dochter 17 jaar. Om de afspraken van de scheiding goed te regelen, hadden de ouders de afspraken opgenomen in een echtscheidingsconvenant. In dit convenant was opgenomen dat de ouders ook na het 21e levensjaar van de dochter zouden blijven bijdragen in de kosten voor haar levensonderhoud en studie. Dit was echter wel aan voorwaarden gebonden. Het ging hierbij om een redelijke studiebijdrage, zolang het kind met redelijke resultaten bezig was met een studie of beroepsopleiding. Zodra de dochter dus niet langer redelijke studieresultaten zou behalen, had zij niet langer recht op een redelijke bijdrage aan haar studie. Op het moment dat dit echtscheidingsconvenant tot stand kwam was de dochter al 17 en zou zij dat jaar eindexamen doen aan het VWO. Dat de dochter zou gaan studeren, lag dus zeker in de lijn der verwachtingen. Hieruit blijkt dat de ouders echt voor ogen hadden om te blijven bijdragen aan haar studiekosten, dat mocht de dochter dan ook van allebei haar ouders verwachten. De rechter kijkt met deze interpretatie verder dan alleen naar de woorden van het convenant, hij betrekt de bedoelingen van de partijen erbij.

De moeder had aan deze verplichting gedaan en gedurende de studie maandelijks €167,- bijgedragen. De vader had echter geen bijdrage geleverd en dit wil de dochter bij de rechter alsnog vragen. De dochter gaf aan langer over haar studie te gaan doen, zij zou ongeveer 6 maanden later klaar zijn dan ze had kunnen zijn. Volgens de rechter was dit echter niet een zodanige overschrijding van de studieduur dat niet langer sprake was van redelijke resultaten. Zij had dus ondanks haar uitloop nog steeds recht op een bijdrage. Het ging hierbij om een bijdrage in zowel de studie als het levensonderhoud, nu de studiefinanciering ook voor beide was bedoeld. Het feit dat het recht op studiefinanciering van de dochter in oktober 2013 was geëindigd, betekende volgens de rechter niet dat op dat moment ook het recht op bijdrage van haar ouders was geëindigd. De dochter was in 2011 21 geworden, dus het ging om de periode van 2011 tot aan 2014. Om te bepalen hoeveel geld de dochter nog van haar vader moest krijgen, werd gekeken naar de behoefte van de dochter en de draagkracht van de vader.

Doordat de vader nooit in haar studiekosten had bijgedragen, heeft de dochter dit getracht op te vangen met inkomsten uit arbeid. Door de inkomsten uit arbeid heeft zij in 2012 en 2013 geen behoefte aan een bijdrage gehad. In 2011 had de dochter echter een behoefte van € 159,- per maand en in 2014 bedroeg de behoefte € 23,- per maand. Nadat de behoefte door de rechter was vastgesteld, heeft hij gekeken naar de draagkracht van de vader. Om de draagkracht te bepalen, werden alle omstandigheden meegewogen. In 2011 had de vader nog een draagkrachtruimte van
€ 618,- per maand. De draagkrachtruimte is het geld wat je in feite “overhoudt”, je hebt dit bedrag niet meer nodig voor je eigen levensonderhoud. Nu de behoefte van de dochter in 2011 slechts € 159,- per maand bedroeg, kon de vader dit dus voldoen. In 2014 bedroeg de draagkrachtruimte van de vader nog € 213,- per maand en de behoefte van de dochter € 23,- per maand. De rechter meende dat de vader dus in 2014 ook kon voorzien in het levensonderhoud en de studie. Het feit dat 2011 al achter de rug was, maakte niet uit. De vader moest nog met terugwerkende kracht bijdragen aan de studie en het levensonderhoud van zijn dochter, dit was immers in het convenant afgesproken. 
 

Hieruit blijkt dat dus van de wettelijke regelingen afgeweken kan worden. Als partijen onderling afspraken maken en deze in een echtscheidingsconvenant vastleggen, dienen zij zich hier ook aan te houden. In dit geval moest de vader dus ook voor een verstreken jaar nog bijdragen in het levensonderhoud en studie van zijn dochter.

Meer weten hierover van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

 

 

 

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6419

Neem voor meer informatie contact op met: