Samenwonen of niet

Door: Lilian Scheepens - 14 december 2010

Op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW komt een einde aan de partneralimentatie indien de alimentatiegerechtigde gaat samenwonen met een ander als waren zij gehuwd. Maar wanneer is daarvan sprake? Voor een bevestigend antwoord op die vraag moet sprake zijn van díe feiten en omstandigheden welke volgens vaste rechtspraak daarvoor zijn vereist. Het moet gaan om een tot volledige lotsgebondenheid leidende levensgemeenschap welke het kenmerk is van een normale huwelijkshuishouding. Hiertoe is vereist dat is voldaan aan alle volgende criteria: er moet sprake zijn van een duurzame affectieve relatie, samenwoning, het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en het elkaar wederzijds verzorgen door de partners. Vaak wordt gedacht dat er geen sprake kan zijn van samenwoning indien de partners de financiën strikt gescheiden houden en ieder nog een eigen woning aanhoudt en daarvan de lasten draagt. Het is echter niet vereist dat van een financiële verstrengeling van beide inkomens moet zijn gebleken. Partners kunnen ook op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. En wanneer blijkt dat de aangehouden woning leeg staat, is dat een omstandigheid die wordt meegewogen.

De toevoeging "als waren zij gehuwd" zorgt ervoor dat samenwonen met een (nog niet) van de echt gescheiden partner, niet kan leiden tot beëindiging van de partneralimentatie op grond van 1:160 BW. Zolang bigamie is verboden, kan er immers geen sprake zijn van samenwoning met een gehuwde partner als waren zij gehuwd. Zulks kan overigens wel consequenties hebben voor de behoefte van de alimentatiegerechtigde.

Lilian Scheepens

Bron: column Tilburgse Koerier