PrejudiciŽle vragen aan de Hoge Raad over de voorwaardelijke ontbinding

13 mei 2016

Om het zekere voor het onzekere te nemen, start een werkgever na een ontslag op staande voet vaak ook nog een procedure tot voorwaardelijke ontbinding. De kantonrechter te Enschede heeft hierover prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Wat houdt zo’n voorwaardelijke ontbinding in?

Een onterecht ontslag op staande voet

Een werkgever gaat niet zo maar over tot ontslag op staande voet, dat is immers een ingrijpend middel. De werknemer verliest direct zijn baan en het recht op loon. Mocht je als werkgever overgaan tot een ontslag op staande voet, wil je er dus zeker van zijn dat dit goed geregeld is. Het kan daarom geen kwaad om voor de zekerheid een ‘voorwaardelijke ontbindingsprocedure’ te starten bij de kantonrechter. Een werknemer zal vanwege de grote gevolgen immers bijna altijd een procedure starten tegen het ontslag op staande voet.

Als de werknemer in zijn procedure tegen het ontslag op staande voet gelijk krijgt, kunnen de gevolgen groot zijn. Het ontslag op staande voet is dan onterecht gegeven en dus blijft de werknemer gewoon in dienst, de werkgever zal dan ook al het loon over de periode tussen het ontslag en de uitspraak van de rechter alsnog moeten betalen. Door een voorwaardelijke ontbindingsprocedure te starten, wordt zekerheid ingebouwd. Hoe gaat dat in z’n werk?

Voorwaardelijke ontbindingsprocedure

Na het ontslag op staande voet, kun je als werkgever een procedure starten bij de kantonrechter. Je vraagt dan om een beëindiging van de arbeidsverhouding, voor het geval dat het ontslag op staande voet geen stand houdt. De beëindiging kan dan door de kantonrechter alsnog worden toegewezen op basis van – veelal – de e-grond, het verwijtbaar handelen van de werknemer. Door de uitspraak van de rechter weet je dan zeker dat de arbeidsrelatie tot een einde is gekomen.

De feiten

De kantonrechter te Enschede moest onlangs oordelen over zo’n voorwaardelijke ontbinding. De werknemer was door zijn werkgever, een geestelijke gezondheidsinstelling, op staande voet ontslagen wegens ongewenst gedrag richting cliënten van de instelling. Hij had cliënten bij de keel gegrepen, tegen de wand geduwd en aan de billen van cliënten gezeten. Dit gedrag werd niet getolereerd en dus werd de werknemer op staande voet ontslagen. Ook startte de werkgever een voorwaardelijke ontbindingsprocedure.

Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad

De kantonrechter meende dat er te veel onduidelijkheid was over het gebruik van de voorwaardelijke ontbindingsprocedure. Voordat hij daarom een oordeel zou geven, wilde hij meer duidelijkheid. Een mogelijkheid om meer duidelijkheid te verkrijgen, is het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Ons hoogste rechtscollege zal hierop dan antwoorden geven en daarmee voor de praktijk duidelijkheid verschaffen. Dit heeft de kantonrechter in Enschede gedaan. Hij wilde weten in welke gevallen een dergelijke procedure nou gestart kan worden. Is daarvoor bijvoorbeeld vereist dat de werknemer al een procedure is gestart tegen het gegeven ontslag op staande voet? Deze en nog andere vragen liggen nu bij de Hoge Raad, wachtend op een antwoord.

Conclusie

De voorwaardelijke ontbindingsprocedure kan een nuttig middel zijn om het zekere voor het onzekere te nemen als het gaat om het ontslag op staande voet. De literatuur en de rechtspraak is sinds de WWZ echter verdeeld over het antwoord op de vraag in hoeverre een voorwaardelijke ontbindingsprocedure nog gebruikt kan worden. Een antwoord van de Hoge Raad moet daar duidelijkheid over geven. We houden je hier uiteraard over op de hoogte!  

Meer weten over de WWZ van een advocaat arbeidsrecht uit Tilburg?

Bron: Rechtbank Overijssel 26 april 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:1507.

Neem voor meer informatie contact op met: