BeŽindiging door middel van wederzijds goedvinden, recht op een transitievergoeding?

15 december 2015

In een uitspraak van rechtbank Midden-Nederland wordt de vraag beantwoord of een werknemer bij een beëindiging door middel van wederzijds goedvinden recht heeft een transitievergoeding. 

Feiten
Deze vraag deed zich voor nadat werknemer en werkgever een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten om het dienstverband te beëindigen. In deze vaststellingsovereenkomst was opgenomen dat het dienstverband “op initiatief van werkgever” tot een einde kwam. Er was geen transitievergoeding toegekend en partijen hadden elkaar over en weer finale kwijting verleend. Finale kwijting houdt in dat partijen vastleggen dat ze van elkaar niets meer tegoed hebben.

De werknemer stelde in de procedure dat het dienstverband feitelijk door werkgever was opgezegd en dat hij door middel van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst met de beëindiging had ingestemd. De werknemer was daarom van mening dat hij recht had op een transitievergoeding. Daarnaast stelde de werknemer dat de werkgever hem op de transitievergoeding had moeten wijzen, oftewel dat de werkgever een mededelingsverplichting zou hebben. De werkgever had dit nagelaten, op grond van goed werkgeverschap zou werkgever daarom aan werknemer een transitievergoeding verschuldigd zijn.

Oordeel rechter
Is dit nu zo? Nee, oordeelde de rechter.
Of er een recht bestaat op een transitievergoeding wordt onder meer bepaald door de wijze waarop een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Een arbeidsovereenkomst kan onder meer eindigen door middel van wederzijds goedvinden of met behulp van instemming van de werknemer. Bij de eerste beëindigingsvariant wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten en bestaat er geen wettelijk recht op een transitievergoeding. Bij de tweede beëindigingsvariant, werknemer stemt in met een beëindiging, bestaat er wel een wettelijk recht op een transitievergoeding.

Overwegingen rechter
De kantonrechter oordeelde dat in de aan hem voorgelegde situatie sprake was van een beëindiging met wederzijds goedvinden. Een enkele bepaling dat het initiatief tot beëindiging bij werkgever heeft gelegen is onvoldoende om te spreken van een opzegging door de werkgever. Het is een gebruikelijke bepaling in vaststellingsovereenkomsten om de WW-aanspraken van een werknemer voldoende veilig te stellen. De aanwezigheid van een bepaling waarin partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen wijst bovendien in de richting van een vaststellingsovereenkomst waarmee het dienstverband met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Daarnaast had werknemer de mogelijkheid om de vaststellingsovereenkomst binnen 14 dagen te herroepen, wat hij niet had gedaan.

Ook de stelling dat de werkgever een mededelingsplicht zou hebben omtrent de transitievergoeding slaagde niet. Met de inwerkingtreding van de Wet Werk en Zekerheid zijn een aantal mededelingsverplichtingen in de wet heeft vastgelegd. Dit is met betrekking tot de transitievergoeding niet gebeurd.  Een algemene mededelingsplicht op grond van goed werkgeverschap is niet aannemelijk, aldus de kantonrechter.

Conclusie
Bij een beëindiging door middel van wederzijds goedvinden bestaat er geen wettelijk recht op een transitievergoeding. Let wel: in de praktijk is het vaak wel een onderhandelingspunt voor het bereiken van overeenstemming voor een beëindiging door wederzijds goedvinden.

Meer weten hierover van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

Bron: Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:8803.

Neem voor meer informatie contact op met: