Kledingvoorschriften en het instructierecht

Door: Toine Zegers - 3 augustus 2015

Met het warme weer van deze dagen, rijst de vraag wat geschikte kantoorkleding is. Werkgevers kunnen hieromtrent beleidsregels opstellen, maar de wet regelt niets met betrekking tot kleding op de werkvloer. De rechter heeft zich in het verleden echter wel al meerdere malen over het vraagstuk met betrekking tot kledij gebogen. Is het een werkgever toegestaan om eisen te stellen aan de kleding van werknemers, of levert dat een schending op van de persoonlijk integriteit en mag de werknemer hier zelf over beslissen? Of en welke vereisten een werkgever op mag leggen, ligt niet bij voorbaat vast. De gestelde regels zullen in het licht van de feiten en omstandigheden moeten worden getoetst om te bepalen of deze regels redelijk zijn.

In een oude uitspraak moest de rechter al oordelen over de toelaatbaarheid van een korte broek op de werkvloer. Deze zaak betrof een geschil tussen de PTT Post en de ABVAKABO. PTT Post verstrekte kledingpakketten onder haar werknemers. In het kledingpakket voor de mannelijke werknemers zaten enkel lange broeken, terwijl de vrouwelijke werknemers de keuze hadden uit lange broeken en kortere broekrokken. Volgens de ABVAKABO maakte PTT Post hiermee een ongerechtvaardigd onderscheid tussen mannen en vrouwen. Tijd voor de rechter om hierover te oordelen.

De rechtbank stelde dat het gevolg in het verschil in kledingpakketten met zich meebracht dat de vrouwelijke werknemers meer keuze hebben. Bij zomerse temperaturen konden zij immers kiezen voor een katoenen broekrok, wat comfortabeler is. Een broekrok tot net boven de knie was volgens PTT Post een maatschappelijk algemeen aanvaard kledingstuk wat als degelijk en representatief gezien zou worden. Een korte broek voor mannen was volgens PTT Post geen maatschappelijke algemeen aanvaard degelijk en representatief kledingstuk. Een korte broek voor vrouwen zou dat immers ook niet zijn, enkel een broekrok. ABVAKABO gaf echter aan dat vrijwel niemand er in Nederland problemen mee zou hebben als de mannelijke medewerkers de post in korte broek zouden bezorgen, dit gebeurde immers ook in veel andere Europese landen. De algemene Nederlandse ervaringsregels leerden echter dat een korte broek geen geaccepteerde werkkleding was. De rechter meende dat PTT Post met deze ervaringsregels wel degelijk rekening mocht houden. PTT Post streefde met de kledingvoorschriften immers een bepaald imago na en wat bij die uitstraling zou passen, werd onder andere door de maatschappelijke opvattingen bepaald. De rechter oordeelde dat een korte broek voor mannen geen equivalent van de broekrok voor vrouwen was en achtte het dus terecht dat de kledingpakketten voor mannen en vrouwen verschilden.

Het is een werkgever dus toegestaan om regels op te stellen ten aanzien van de kleding van werknemers. Een werkgever heeft namelijk een zogenaamd wettelijk instructierecht, wat inhoudt dat hij instructies mag geven aan zijn werknemers. Wel dient bezien te worden of de instructies redelijk zijn. Hiertoe zullen de verschillende belangen afgewogen moeten worden. Wanneer het gaat om de kledingvoorschriften tijdens hitte, zullen de representativiteit en het bedrijfsimago de belangrijkste argumenten van de werkgever zijn. Een korte broek zal, zoals uit voorgaande uitspraak blijkt, niet worden aangemerkt als een representatief kledingstuk voor op de werkvloer en mag door de werkgever dus wel degelijk verboden worden. Een werkgever doet er verstandig aan de kledingvoorschriften op papier te zetten en deze onder de werknemers te verspreiden, zo kan over geschikte kledij geen discussie meer ontstaan, ook niet met zulke warmte als vandaag.

Meer informatie over het instructierecht van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

Bron: Rechtbank s-Gravenhage 23 mei 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2584

Neem voor meer informatie contact op met: