Re-integratie van een zieke werknemer, ook plichten voor de werknemer

16 maart 2015

Op het moment dat een werknemer zich langdurig ziek meldt, wordt een re-integratietraject in werking gezet. Het re-integratietraject is erop gericht de werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen. Het weer gaan werken kan bij zijn eigen werkgever in zijn eigen functie, bij zijn eigen werkgever in een andere, passende functie of bij een andere werkgever. De re-integratie is opgedeeld in het zogenaamde eerste en tweede spoor.

Eerste spoor: terugkeren bij eigen werkgever in eigen functie is niet mogelijk, daarom wordt bij de eigen werkgever gezocht naar een andere, passende functie om de werknemer  weer aan het werk te krijgen. Denk hierbij aan de herplaatsing van een werknemer binnen een administratieve functie, omdat hij slecht ter been raakt.

Tweede spoor: terugkeren bij de eigen werkgever in de eigen of een andere functie is niet mogelijk. Binnen het tweede spoor wordt bij een extern bedrijf gezocht naar een andere functie voor de werknemer. Dit kan bijvoorbeeld bij kleine bedrijven, waar geen ander, passend werk voor de werknemer te vinden is.

 

Gedurende het re-integratietraject hebben zowel de werknemer als de werkgever verplichtingen, want ze zijn allebei verantwoordelijk om de werknemer zo snel mogelijk in zijn functie te laten terugkeren. Dat ook werknemers bepaalde rechten en plichten hebben, blijkt uit de volgende zaak waarin de werknemer ongeoorloofd andere werkzaamheden was gaan uitoefenen tijdens zijn ziekte.

 

Werknemer was sinds oktober 2007 in dienst bij Toyota Landgraaf als monteur. Op 14 november 2012 had de werknemer zich ziek gemeld vanwege de klachten die hij overhield aan een auto-ongeluk. Na ongeveer negen maanden bleek dat re-integratie eerste spoor niet mogelijk meer was. De werknemer was nog altijd niet geschikt voor zijn eigen werk en zijn eigen werk was ook niet passend te maken. Spoor twee re-integratie werd daarom in gang gezet. Na een aantal maanden bleken de klachten toegenomen, waardoor ook spoor twee gestaakt moest worden. De werknemer was dus daadwerkelijk ongeschikt om zijn arbeid als monteur te verrichten.

 

Begin oktober 2014 vertelden twee collega’s aan de leidinggevende dat zij hebben vernomen dat de zieke werknemer als monteur werkte bij een ander garagebedrijf. Als reactie hierop heeft de werkgever het recherchebureau RBZ ingeschakeld om deze uitlatingen te controleren. Uit het rapport van RBZ bleek dat de werknemer inderdaad aan het werk was bij het garagebedrijf BPNW. Hij is meerdere keren gezien, bukkend over een geopende motorkap en rondlopend met auto-onderdelen. Naar aanleiding van deze rapportage heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en werkgever. Ondanks het rapport heeft de werknemer glashard ontkend werkzaamheden te hebben uitgevoerd bij BPNW.

De werkgever gaf aan dat hij in het kader van waarheidsvinding de uitlatingen van de collega’s niet meteen voor waar heeft aangenomen, maar eerst wilde laten controleren. De leugenachtige opstelling van de werknemer heeft er echter voor gezorgd dat er in zijn ogen geen voortzetting van de arbeidsovereenkomst meer mogelijk is. De werkgever heeft daarom aan de kantonrechter gevraagd om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, nu het vertrouwen in de werknemer duurzaam en onherstelbaar geschaad was.

 

De werknemer kon zich niet vinden in de uitlatingen van de werkgever. De werknemer gaf aan wel te hebben rondgelopen bij BPNW, maar hij had daar nimmer betaalde werkzaamheden verricht. Het simpelweg rondlopen bij de garage had een arbeidstherapeutische werking voor de werknemer. Hij liep bij BPNW rond in zijn goede kleding en verrichte geen werkzaamheden. De garage was bovendien van een vriend van hem. De werknemer vond ook dat de werkgever zich niet als een goed werkgever heeft opgesteld door de uitlatingen te laten controleren door een recherchebureau in plaats van eerst navraag bij de werknemer zelf te doen.

 

De kantonrechter overwoog het volgende. De stappen die de werkgever heeft gevolgd, getuigden van grote zorgvuldigheid. Het was de correcte werkwijze om de uitlatingen eerst te controleren, alvorens de werknemer hiermee te confronteren. De bevindingen uit het rapport van het recherchebureau zijn nooit gemotiveerd ontkend of ontkracht door de werknemer. In de cao die op de arbeidsovereenkomst van toepassing is, stond dat het voor een werknemer niet was toegestaan om concurrerende nevenwerkzaamheden uit te voeren zonder toestemming van de werkgever. Dit had de werknemer in deze situatie wel gedaan, waardoor de werknemer onrechtmatig had gehandeld. Juist als het rondlopen voor hem een arbeidstherapeutische werking had, had hij dat moeten melden. Als de werkgever en bedrijfsarts hiervan op de hoogte waren geweest, had dit immers mogelijkheden opgeleverd voor de re-integratie tweede spoor.  

Gezien alle omstandigheden meende de rechter dat de werknemer door de concurrerende werkzaamheden in strijd met zijn arbeidsovereenkomst heeft gehandeld. De rechter vond het daarom rechtvaardig om de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2015 te ontbinden, zonder toekenning van een vergoeding aan de werknemer.

 

Uit deze uitspraak blijkt dat gedurende de re-integratie zowel de werknemer als werkgever verplichtingen hebben om de re-integratie soepel en snel te laten verlopen. Als de werknemer arbeidsongeschikt is verklaard, is het dubieus om wel andere werkzaamheden uit te voeren zonder de werkgever hiervan op de hoogte te stellen. Over de uitvoering van nevenwerkzaamheden kunnen dan ook beter duidelijke afspraken gemaakt worden.

 

Meer weten hierover van een advocaat arbeidsrecht in Tilburg?

 

 

Bron: Rechtbank Limburg 29 januari 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:723.

Neem voor meer informatie contact op met: